Matsuo Bashō, dé dichter van haiku’s
De kracht van haiku’s is eenvoud die spreken kan. Met slechts drie regels wordt een hele wereld van indrukken en gevoelens opgeroepen. Daarom mag deze dichtkunst met recht de poëzie van het kuieren genoemd worden. Het kan geen toeval zijn dat Matsuo Bashō, een van de bekendste Japanse dichters, zijn wondermooie gedichten gemaakt heeft tijdens zijn voettochten door het land. Al zijn haiku’s zijn door Jos Vos in een prachtig boek verzameld, vertaald en kort toegelicht.
Een ommetje
Onderweg kun je
ze tellen: villa na villa
Pruimenbloesems en wilgen. (744)
Oorspronkelijk is een haiku een kort Japans gedicht van 17 lettergrepen, verdeeld over drie regels van 5, 7 en 5 lettergrepen op één regel. Het was het openingsvers van een kettinggedicht waaraan meerdere dichters bijdroegen. Elke dichter borduurde verder op de tekst van de voorganger. Deze dichtvorm ontstond in de 17e eeuw en werd toen hokku genoemd wat “begin-vers” betekent. Pas aan het einde van de 19e eeuw gebruikten dichters de term haiku voor een kort gedicht van vaak drie regels. Een paar eenvoudige woorden om diepe gevoelens uit te drukken, vaak geïnspireerd door de natuur of het alledaagse leven.
intussen geeft een fazant
het ritme aan. (611)
wat het oog hier ziet
is koelte. (411)

Yosa-Buson, Basho
De meester van de haiku’s, Matsuo Bashō, werd geboren in 1644 in Ueno, iets ten zuidoosten van Kyoto. Als zoon van een arme samurai familie trad hij in dienst bij de plaatselijke kasteelheer. Hij raakte nauw bevriend met diens zoon Todo Yoshitada. Samen bestudeerden ze de Japanse dichtkunst tot in 1666 Todo Yoshitada – wiens dichtersnaam Sengin, Krekelzang is – onverwachts overleed. Bashō besloot naar Edo (het huidige Tokyo) te verhuizen en zette daar zijn studie voort. Hij verwierf de status van een veel gevraagde haiku meester met een aanzienlijk aantal leerlingen en beschermheren. Bashō schreef zijn gedichten doorgaans niet zelf op, maar declameerde ze hardop, waarna zijn discipelen ze optekenen.
In 1680 liet Sampa, koopman en bewonderaar van Bashō, een huis voor hem bouwen in de buitenwijk Fukagawa. Voor zijn tuin kreeg hij een bashoboom (Bananenboom). Bashō voelde zich erg tot deze boom aangetrokken. Hij schreef hierover: “De boom krijgt bloemen, maar niet zoals andere bloemen, want er is iets vrolijks aan. De grote stam wordt door de bijl niet aangeraakt, want hij is volstrekt nutteloos als timmerhout. Ik houd echter van deze boom juist vanwege zijn nutteloosheid. Ik zit eronder en verheug me in de regen en in de wind die er tegen aan blazen.” (1) Zijn schrijversnaam die voor die tijd Tosei luidde veranderde hij in Bashō.
Op veertigjarige leeftijd begon hij aan zijn voetreizen door Japan. Hij wilde met eigen ogen de beroemde plaatsen zien waarover de klassieke dichters van Japan schreven. Later zal hij bekend worden als de reizende dichter. Overal waar hij kwam werden dichtsessies georganiseerd, waarvan hij het middelpunt was. Zijn haiku’s werden gelezen als reisverslagen. Reizen beschouwde hij als een spirituele bezigheid. Het reizen was in die tijd niet eenvoudig en niet ongevaarlijk. Een van de redenen dat hij zich als monnik kleedde en zijn schedel scheerde. Hij ondernam zijn tochten nooit in zijn eentje. Zijn metgezellen werden ook in zijn gedichten vernoemd. Aan vrienden bij wie hij logeerde, gaf hij herhaaldelijk een haiku gedicht cadeau. In 1694 overleed Matsuo Bashō in Osaka.
al ploegende heen en weer
over een piepklein veld. (851)
In het koolzaadveld
kijkt een mus rond alsof hij
de bloesems bewondert. (237)
Laaghangende treurkers:
ik kwak haast tegen de grond
bij ’t huiswaarts gaan. (31)
met mijn reishoed in de hand
en mijn zomerjas áán. (919)
Dit is de tijd dat
ook de kleren van de overledene
zullen worden gelucht. (404)
Dennentakversiering:
Dertig jaar verstreken
In één nacht? (67)
Meer dan vijfentwintig jaar heeft Jos Vos aan de vertaling van Bashō gewerkt. Op de boekomslag schrijft hij: “Matsuo Bashō is een van ’s werelds grootste dichters. Zijn schijnbaar eenvoudige poëzie is doordrongen van natuurbesef en vergankelijkheid, maar ook van het tragische verloop van de Japanse geschiedenis. Zijn haiku’s zijn daarnaast aangrijpende getuigenissen van een reiziger zonder thuis.” Aan de korte toelichting die hij bij elk gedicht geeft, proef je de gedegen kennis van de vertaler, alsmede zijn liefde voor het werk van Bashō.
Het meest bekende en meest vertaalde gedicht van Bashō is ongetwijfeld:
De oude vijver –
een kikvors springt erin,
de klank van water. (266)
In de vertaling blijft de eenvoud van het gedicht behouden. Daarom spreekt het direct tot de verbeelding. Aangezien ik de Japanse taal niet machtig ben, kan ik niets zeggen over de kwaliteit van de vertaling. Ik vertrouw op de deskundigheid van Jos Vos. Hij doceerde van 1985 tot 1995 Engels en Nederlands aan Japanse universiteiten. Vervolgens studeerde hij klassiek Japans in Engeland. Diverse werken heeft hij uit het Japans vertaald, waaronder de verzamelbundel De kunst van het nietsdoen, dat ik bij mijn pensionering ontving. In de beknopte toelichting bij dit gedicht is een Engelse vertaling opgenomen van Saitō Hidesaburō (1866-1929).
Old garden lake!
The frog thy dept doth seek,
And sleeping echoes wake.
Deze wonderschone vertaling weerspiegelt exact een betekenis die het gedicht bij mij oproept. Het voelt alsof ik op mijn levensreis een oude vijver tegenkom: de diepte van de culturen waaruit ik ben voortgekomen. Als een kikker spring ik erin en het geluid ervan echoot na.
Jos Vos licht toe: “Het woordgebruik voor kikker (Kawazu) dat Basho hier gebruikt, klonk in de zeventiende eeuw archaïsch. In de poëtische traditie werd de kawazu geassocieerd met snelvlietende bergbeken en goudgele ranonkel; daarbij stond steeds de roep van het dier centraal. Door te dichten over een kikker die niet zingt maar springt (en wel in een stille vijver) deed Bashō iets revolutionairs.”
een piepklein krabbetje kruipt
langs mijn been omhoog. (301)
O zo vlot liet ze
zich zien, en nu aarzelt ze:
de bewolkte maan. (705)
intussen geeft een fazant
het ritme aan. (611)
Op een dag als vandaag
hoor je oud te zijn –
eerste winterregen. (762)
Buiten Japan bestaan veel misverstanden over Bashō en zijn haiku’s schrijft Jos Vos in de inleiding. Mijn kennismaking met zijn gedichten vond plaats tijdens mijn studietijd – al meer dan vijftig jaar geleden! Van christelijke theologiestudenten werd destijds verwacht dat zij zich ook verdiepten in andere wereldgodsdiensten. Binnen de colleges over zenboeddhisme bestudeerden we de poëzie van Bashō, de reizende monnik die zen gedichten schreef. Door middel van een intense aandacht voor de natuur kwam hij tot een hoger bewustzijn. Het leek alsof zijn haiku’s de status van heilige teksten bezaten. Jos Vos ontkracht zo’n voorstelling. Bashō was geen monnik en zijn haiku’s zijn zeker geen weergave van ‘zen-momenten’ van verlichting. Tegen het eind van zijn leven schreef Basho daar zelf over: “Op zeker ogenblik was ik van plan in een klooster in te treden. Toch laat ik me doelloos zweven als een wolkje in de wind.” Bashō is evenveel boeddhist als zijn tijdgenoten.
Om al zijn 975 haiku’s te verstaan, hoef je geen monnik te zijn. Matsuo Bashō dicht op een virtuoze wijze over wat er tijdens zijn zwerftochten op hem afkomt. Al de aspecten van het leven, beschrijft hij met een wonderlijke openheid. In drie eenvoudige regels…
Bronnen
Matsuo Bashō, Verzamelde haiku’s. Vertaald, ingeleid en toegelicht door Jos Vos, Uitgeverij Athenaeum, 2023 – de nummers achter de vertaalde haiku’s komen overeen met de nummering die in het boek gebruikt wordt.
(1) De tekst is overgenomen uit het eerste boekje van Bashō dat ik in 1979 (!) kreeg; Basho, reisverslag van een verweerd skelet. Vijf verhalen vertaald door Robert Hartzema, Uitgeverij Meander, p. 8.

