Dozen
Omdat je in de oorlog altijd hoorde
van vóór de oorlog, hoe argeloos
ze waren, ben ik nu heel voorzichtig.
Gooi ik iets weg, bijvoorbeeld
een kartonnen doos, dan hoop ik
dat die doos mij nooit meer zal
heroveren in vorm van zelfverwijt:
weet je nog wel, hoe zorgeloos,
we gooiden gewoon dozen weg!
Als we er één hadden bewaard,
één hadden bewaard!
Judith Herzberg
(Uit de bundel Zoals, 1992)
Vaderlijk advies
Zoon, vergeet wat de geschiedenisboeken
geschreven en verteld hebben
Ze zeggen dat wij heldhaftige
zonen van de krijgsgod zijn
Allemaal zijn we generaals
maar lees de ogen en je ziet
wat wij echt zijn
generaals van verloren oorlogen
Toch houden we nooit op met oorlogen
altijd winnaars op papier
altijd verliezers op de grond
generaals van verloren oorlogen
Lees geen geschiedenis meer, zoon
en maak jouw eigen geschiedenis
wellicht reinigt de jouwe de onze
of aait de vergetelheid onze mooie leugen
Haval Amin
(Uit de bundel Veelzeggende cijfers.
Verhalen en gedichten van vluchtelingen in Nederland,
COS Gelderland, 2000)
Het getal van de doden
Het getal van de doden
is een getal zonder kracht.
Het maakt onze angsten niet wakker,
het laat ons lichaam intact.
Veel krachtiger zijn de woorden
waarin wij zijn gehuld
op onze dagelijkse rooftocht.
Zij bedekken het ongeduld
dat trappelt en snuift voor de karren
die wachten tussen het puin
tot de woorden zijn uitgesproken
en de doden zijn opgeruimd.
Berekend in onze waarde
is hun getal zonder kracht,
een afgerond cijfer
in onze verslagen en kranten,
hun massagraf.
Charles Ducal
(Uit: Alsof ik er haast ben,
Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2012, p.340
Iemand stelt de vraag
Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden
zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z’n kop krijgt
zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud
zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die de sigaret aansteekt
zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem
jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet
en dan die vraag aan een ander stellen.
Remco Campert
(Uit Betere tijden,
Amsterdam, 1970)
Einde en begin
Na elke oorlog
moet iemand opruimen.
Min of meer netjes
wordt het tenslotte niet vanzelf.
Iemand moet het puin
aan de kant schuiven
zodat de vrachtwagens met lijken
over de weg kunnen rijden.
Iemand moet waden
door het slijk en de as,
de veren van de canapés,
de splinters van glas
en de bloederige vodden.
Iemand moet een balk aanslepen
om die muur te stutten,
iemand het glas in het raam zetten,
de deur in de hengels tillen.
Fotogeniek is het niet
en het kost jaren.
Alle camera’s zijn al
naar een andere oorlog.
De bruggen moeten terug
en de stations opnieuw.
Van het opstropen
gaan mouwen aan flarden.
Met een bezem in de hand
vertelt iemand nog hoe het was.
Iemand luistert en knikt
met een nog niet afgekletst hoofd.
Maar om hen heen
duiken al gauw lieden op
die het begint te vervelen.
Soms zal iemand nog
onder een struik
doorgeroeste argumenten opgraven
en naar de vuilnishoop brengen.
Zij die wisten
waarom het hier ging,
moeten wijken voor hen
die weinig weten.
En minder dan weinig.
En ten slotte zo goed als niets.
In het gras, dat oorzaak
en gevolg overwoekert,
moet iemand liggen die
met een aar tussen zijn tanden
naar de wolken gaapt.
Wislawa Szymborska
(Uit Einde en begin, Gedichten 1957-1997,
Meulenhoff, Amsterdam, 1999, p.145)
Aan een gevallen makker
Aan een gevallen makker
Een witte roos bloeide op dat vale veld,
roos van de dood te midden der gewonden
een jong gezicht had in zijn laatste nood
de vage schaduw van een lach gevonden.
‘Ik heb het koud’ klaagden zijn blauwe lippen
zijn weke hand zocht tastend naar een maat
ik zag zijn leven met zijn bloed ontglippen
en steeds maar liever scheen mij zijn gelaat.
‘Eén dode meer op onze lijst van helden’
mijn god, hoe walgt het woord mij in de mond
een kind veeleer dat brute domheid velde
één adem minder uit een zoete mond.
Een lied brak af na d’eerste teedre strofe
een dapper hart hield plotseling op met slaan
een makker minder op de donkre wegen
die door de modder onze voeten gaan,
maar deze morgen zet een jonge vogel
zich op een tak en zingt en zingt en zingt
het schijnt mij of in ’t zoete vogelfluiten
de stem van mijn gevallen makker klinkt.
Jef Last
Front van El Pardo, 16 februari 1937
(Uit De Spaanse tragedie,
Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen, 1962, p. 61)
Vrede
Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en ‘vrede’ knarsend, ‘vrede, vrede’.
Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilten voeten,
dat we eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillend in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.
Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door het huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwige stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.
Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Leo Vroman
(Uit: Uit slaapwandelen, Querido, Amsterdam, 1957)
Duizend Soldaten
Als ge van ze leven in de westhoek passeert
Deur regen en noorderwinden
Keert omme den tijd als g’ alhier passeert
Den oorlog ga j’ hier were vinden
Ja ’t is den oorlog da ‘j hier were vindt
En ’t graf van duizend soldaten
Altijd iemands vader altijd iemands kind
Nu doodstil en godverlaten
Laat de bomen nu maar zwijgen en dat ’t gras niets verteld
En de wind moet ’t ook maar nie zingen
Dat julder’n dood tot niets hè geteld
Dat waren al te schrik’lijke dingen
Zeg ’t gaat al goed der is welvaart in ’t land
En de vrede ligt vast in de wetten
We maken wel wapens maar met veel meer verstand
Maar just om den oorlog te beletten
En grote raketten atoom in den top
We meugen toch experimenteren
We mikken wel ne keer naar mekaar zijne kop
Maar just om ons ’t amuseren
Als ge van ze leven in de westhoek passeert
Deur regen en noorderwinden
Keert omme den tijd als g’ alhier passeert
Den oorlog ga j’ hier were vinden
Ja ’t is den oorlog da ‘j hier were vindt
En ’t graf van duizend soldaten
Altijd iemands vader altijd iemands kind
Duizend en duizend soldaten
en nog duizend en nog duizend soldaten
Willem Vermandere
(Als lied gezongen
op het album Met Mijn Simpel Lied, 1976)
Vrede
dan herinner ik eraan
dat God niet in een tank kwam
en niet in een bank geboren werd
en de oude wonderwapens,
de bliksem, de donder en de hemelse legerscharen
eenzijdig opgaf
hij bediende zich niet
van paleizen, koningen en soldaten
toen hij unilateraal
mens ging worden,
dat is zonder bewapening leven
Dorothee Sölle
1979
Het gastenhuis
Dit mens-zijn is een soort herberg:
elke dag weer nieuw bezoek.
Een vreugde, een depressie,
een benauwdheid;
een flits van inzicht komt als een
onverwachte gast.
Verwelkom ze,
ontvang ze allemaal gastvrij!
Zelfs als er een menigte
verdrietigheden binnenkomt
die met geweld je hele huisraad kort en
klein slaat.
Behandel dan elke gast toch met eerbied.
Misschien komt hij de hele boel
ontruimen om plaats te maken
voor een nieuwe mogelijkheid.
Wees blij met iedereen die langskomt.
Zij zijn je stuk voor stuk gestuurd
van gene zijde
om jou als raadgevers te dienen.
Mowlana Jalaluddin Rumi (1207 – 1273)
Wij die met eigen ogen
Wij die met eigen ogen de aarde zien verscheurd,
maar blind en onmeedogend ontkennen wat gebeurt:
dat oorlog is geboden en vrede niet mag zijn,
dat mensen mensen dat wij die mensen zijn.
Wij die nog mogen leven van hoop en vrees vervuld,
aan machten prijsgegeven, aan meer dan eigen schuld,
wij die, God weet hoe verder, tot hiertoe zijn gespaard,
dat wij toch nooit erkennen het recht van vuur en zwaard.
Dat wij toch niet vergeten waartoe wij zijn gemaakt,
dat diep in ons geweten opnieuw het licht ontwaakt,
dat in ons wordt herschapen de geest die overleeft,
dat onze lieve aarde nog kans op redding heeft.
Huub Oosterhuis
(Geschreven voor de Vietnamzondag
29 oktober 1972)
